Het Bijzondere Object

Het Bijzondere Object


KORWAR, SCULPTUUR VAN EEN ZITTENDE VOOROUDER
141 b
141 c
141 d
141 e
141 f
141 a

KORWAR, SCULPTUUR VAN EEN ZITTENDE VOOROUDER


Herkomst: MacCluergolf, Papoea Nieuw Guinea
Materiaal: Hout
Hoogte: 53 cm

Eerste helft 20e eeuw

Provenance: Lucas Dosi Delfini (1939-2012) conservator van het Stedelijk Musuem, Amsterdam

Antropomorfe sculpturen afkomstig uit de Teluk Berau (MacCluergolf) in Papoea Barat zijn zeldzaam. Over het gebruik en de betekenis is weinig bekend. Slechts gescheiden door een landengte van de Teluk Cenderawasih (Geelvinckbaai) zijn de korwars die daar vandaan komen veel bekender en worden deze vanuit esthetisch oogpunt ook als belangrijker gezien. (Van Baaren, 1968)

Simon Kooijman, toentertijd conservator van het Leids Nationaal Museum van Ethnografica en verantwoordelijk voor de afdeling Melanesië, was in 1962 de eerste die over dit onderwerp heeft geschreven en voor zover bekend is hij ook de laatste. Hij kon zich slechts baseren op vijf bronnen zijnde regeringsvertegenwoordigers en missionarissen. Het merendeel van deze rapporten werd gepubliceerd voor de Tweede Wereldoorlog slechts één rapport werd in 1959 gepubliceerd. Met slechts vijftien ter beschikking staande sculpturen maakte hij onderscheid tussen staande en zittende figuren. Hij kwam tot de conclusie dat de staande figuren onmiskenbaar voorouders waren en de zittende onlangs overledenen zouden zijn en dat ze plaatselijk geduid werden als mutuo of mutuai. Het was niet altijd duidelijk welke functie en betekenis de sculpturen hadden daar de plaatselijke informatiebronnen nauwelijks informatie verschaften slechts een informant in het begin van de twintigste eeuw maakte melding van het gegeven dat de ‘houten poppen’ gemaakt werden nadat iemand overleden was. Ze werden gebruikt als medium om te kunnen communiceren met de geest van de overledene (Kooijman, 1969-1970). Kooijman zich baserend op het beperkte aantal voorhanden zijnde sculpturen was het daarmee eens, daarnaast gaf hij aan dat zij worden gekarakteriseerd als hebbende ‘ een bepaalde vlakheid gepaard gaande met een statische, vaak stijve houding en enigszins uitdrukkingloos’ waarbij hij toegaf dat er uitzonderingen waren zoals het beeld dat in de vijftiger jaren verworven werd door de koloniale arts M. Van Rhijn (plaat: IX, afb.: 3a-b) (Kooijman, 1972). De hierbij afgebeelde sculptuur weerspreekt ook deze gangbare karakteristieken van dit gebied.

 

De plaatselijke wijze waarop wordt gebeeldhouwd komt duidelijk tot uiting in de hoekige dunne benen en het smalle lijf  maar wel zodanig dat hier die ‘stijfheid’ ontbreekt. Het uit hardhout gehakte beeld laat duidelijk de sporen zien van de door de beeldhouwer gebruikte bijl. Slijtage, kleine insectgaten en de donkere patine getuigen van de ouderdom van dit sculptuur. Niet alleen door deze zaken, maar ook door de wijze waarop bepaalde onderdelen zoals de benen, de ogen, de mond en de oren van deze ‘korwar’ zijn vormgegeven kan dit beeld vergeleken worden met het MacCluergolf beeld dat ooit in het bezit is geweest van Gijsbertus Oudshoorn (1894-1965) dat zich nu in de collectie van het Tropenmuseum, Amsterdam (TM 4133-131) bevindt. Het hoofd heeft een zelden of nooit eerder aangetroffen uitdrukking gekregen, de ogen van stukjes wit keramiek in samenhang met de gaatjes voor de mond en de oren, de geaccentueerde neusvleugels en de handen die op een tere wijze de wangen raken drukken een gevoel van verbazing/verwachting uit.

 

Ref.: Kooiman, S. (1962), Ancestor figures from the MacCluergulf area of New Guinea. A variation of the korwar style’, Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden, no.: 15, 63-80

 

Baaren, Th. P. van (1968), Korwars and korwar style, The Hague: Mouton